17. Door het noorden gaan (1)

Het oude werkt niet meer, en het nieuwe is er nog niet. Als jongetje van een jaar of 12 jaar had ik één van mijn meest indringende dromen ooit: er brak een nieuwe lente aan en ik was verschrikt dat er geen nieuwe bladeren aan de bomen verschenen. Niemand leek het in de gaten te hebben of wuifde het weg. Pas in de zomer drong het onvermijdelijk besef tot iedereen door: de bomen bleven kaal en de vanzelfsprekende groei kwam niet meer terug. De laatste weken moet ik regelmatig aan deze droom denken.

Hoe het verder ging vertelde mijn droom niet, ik weet alleen dat het een enorme indruk op mij maakte. Nu, tientallen jaren later, duidt ik deze droom meer als de eerste fase van een rites de passage: een periode van afscheid nemen van het vanzelfsprekende, het vertrouwde en het veilige. Deze wordt gevolgd door wat in de antropologie de liminale fase wordt genoemd, waarin de noodzakelijke transitie plaatsvindt. Waarin je onvermijdelijk door een vacuüm heen moet, jezelf opnieuw uitvinden, om er vervolgens in de re-integratie fase weer sterker uit te komen, volwassener en wijzer.

Je zou kunnen zeggen de onze samenleving momenteel ook door een transitie gaat. In deze lente zijn we goed beschouwd in de winter terecht gekomen: het oude hebben we moeten loslaten, alle groei is tot stilstand gekomen, wat ons rest is naar binnen gaan en te wachten op een nieuwe cyclus. De winter komt in de sjamaanse tradities overeen met het noorden: de plek van stilte, van het niet-actieve, niets doen, de leegte, het vormeloze en tijdloze, kalmte, het is de plek van eenheid, vrede en onthechte wijsheid. Zoals in de winter alles vertraagd en alleen diep onder de grond nog voeding is, onzichtbare levensstromen, diep teruggetrokken in de wortels.

Onze samenleving verheerlijkt echter de lente (inspiratie, bloeien, plannen maken, structureren, het nieuwe op laten komen etc.) en de zomer (groeien, groter laten worden, winst, bestendigen van wat verworven is, etc.). Lang niet iedereen is ook bereid om de herfst in te gaan (het oude los te laten, naar binnen te keren, diepere reflecties aan te gaan, te zien wat wezenlijk is en wat niet en de vruchten van het verleden te oogsten. Maar door de winter en door het noorden gaan is pas echt ongemakkelijk, omdat het geen structuur biedt en je niet weet wat er gaat komen. Het voelt alsof iemand op de reset- of reboot-knop heeft gedrukt: al het oude is gewist en werkt niet meer. Hier besef je dat oude structuren werkelijk beëindigd zijn, en mogelijk niet meer terugkeren.

Het vraagt om je terug te trekken, diep in je wortels, waar je je kunt laven aan de bron van het leven zelf. Het noorden is de plek waar slechts overblijft wat essentieel is, de pure ziel, verbonden met de oneindigheid. Door het noorden gaan vraagt vaak een persoonlijk offer van het ik, het loslaten van de identificatie met het ego en haar hang naar materiële zaken. Wat vol is geweest moet leeg worden, wat toenam, moet weer afnemen. Zich er naar voegen is een bewijs van wijsheid en moed. Het kan echter ook je diepste angsten aan de oppervlakte brengen. Je kunt immers geen controle uitoefenen op dat wat nog geen vorm heeft. In de angst voor het onbekende kun je gedesoriënteerd raken. Door het noorden gaan, vraagt om ware overgave: te ontspannen in het niet-weten, en toch alert te blijven.

De leegte namelijk is ook vol. De leegheid bevat namelijk ook een zuiver potentieel, tegelijkertijd zwanger en leeg. Het vacuüm trekt uiteindelijk ook het nieuwe aan. Het noorden is in die zin vol-ledig. Net zoals in het diepst van de nacht een nieuwe dag wordt geboren. Zoals in midden van de winter het nieuwe leven, diep onder de grond zich laaft aan de bron. Leeg is het einde en leeg is het begin. Het einde van de groei hoeft geen nachtmerrie te zijn. Voor alle volledigheid: het biedt juist nieuwe mogelijkheden.