20. Door het noorden gaan (2)

Waarom worden we zo onrustig van dreigende teruglopende (economische) groei? Schrikt een boom in de herfst omdat het zijn blad aan het verliezen is? Raken wij in paniek als er in de winter niet gelijk nieuw blad aan de bomen groeit? Een boom hecht zich niet aan het tijdelijke, maar verbindt zich steeds opnieuw met het wezenlijke. Op welke manier hechten wij mensen ons aan het tijdelijke dat uiteindelijk gedoemd is weg te vallen? En op welke momenten vergeten wij contact te maken met het wezenlijke, diep in onze wortels?

Onze huidige structuren, automatismen en andere houvasten zijn als bladeren aan een boom. Alleen vanuit een enorme gehechtheid aan haar blad zal een boom in de herfst denken dat ze sterft. De boom die zich terug trekt in haar wortels weet wat blijvend is. Waarom willen we als onze oude houvasten wegvallen, dan toch zo snel mogelijk weer een nieuw houvast? Kunnen we het geheel overzien van de voorbije lente, zomer en herfst? Durven we de ons ontgroeide uiterlijkheden los te laten, terug te zakken tot diep in onze wortels, en ons daar te laven aan de bron? Is het niet de kunst om wakker en alert door de leegte en het niets van de winter heen te bewegen en ons te verbinden met het tijdloze en vormloze? Wetende dat er van daar uit ooit weer een nieuwe lente komt, maar dan met volkomen nieuw en fris blad.

Waar de kwaliteiten van de herfst (en het westen) ons helpen om los te laten wat uitgebloeid is en om de naakte waarheid te onthullen, daar toont het noorden (en de winter) ons iets anders wezenlijks. Door het noorden gaan is voor mij opnieuw stil en leeg te worden in contact met je eigen ziel (en die van de samenleving), het niet-weten te omarmen, vanuit overgave door de angst heen te bewegen, onszelf weer te verbinden met het pure potentieel en met de oerkracht van het leven zelf. Om wakker te worden uit de droom van de materiële kijk op de uiterlijke wereld, met al haar bladeren die onvermijdelijk zullen vallen.

Wat helpt ons om de gehele realiteit te overzien, de juiste afstand te vinden tot de cyclus waar we in zitten, objectief te kunnen kijken naar de doorgaande beweging van het leven? Hoe kunnen we onthecht zijn, vertrouwen en ons verbinden met dat wat blijvend is? Kunnen we contact maken met dat deel van de ziel dat nooit verstoord zal raken? Vertrouwen we er op als de herfststormen binnenkort zijn gaan liggen, dat we het wezenlijke uiteindelijk nooit zullen verliezen? Wat is er voor nodig om daarin stil te kunnen zijn, hooguit te observeren?

Kunnen we zien dat wat overblijft gewoon het naakte hier-en-nu is, de Phoenix die weer uit haar as zal herrijzen, een wedergeboorte die al in de dop zit? Het nieuwe leven vraagt er om dat we even niets forceren. We moeten het ei niet van buitenaf proberen te openen. Opdringerige hulp doodt dan al het nieuwe leven. Nieuw leven kan alleen van binnenuit worden geboren. Om dan naar te buiten treden vanuit haar eigen vitale kracht. We kunnen het ei hooguit met rust laten en warm houden. En de sapstromen van de boom rustig tot in de wortels te laten terugtrekken. Wetende dat het nieuwe leven altijd grootser is dan het oude.

Eén antwoord op “20. Door het noorden gaan (2)”

  1. Ik kreeg ooit, na het voltooien van een trainingtraject, een kompas als symbool voor het volgen van mijn missie. Maar een kompas werkt alleen als je in een rechte lijn reist, zonder omwegen (tenzij je eindbestemming de noordpool of zuidpool is). En de belangrijkste reizen kenmerken zich door de omwegen die zich onverwachts voordoen, waardoor een kompas nutteloos wordt.

    Dank voor de metafoor met de vier windrichtingen. Een kaart werkt altijd beter dan een kompas. Het laat ruimte voor dwalen en het vinden van dat waar je niet naar op zoek was, maar wat wel belangrijk is. En er is ruimte voor circulair reizen, in plaats van lineair reizen, of in de woorden van T.S. Eliot: “We mogen onze zoektocht niet staken; hij eindigt immers altijd bij de oorsprong alsof we er nooit eerder geweest zijn.”

Reacties zijn gesloten.