24. De Terugkeer van de Koning

Willen de echte leiders opstaan? De Terugkeer van de Koning is opnieuw een actueel thema geworden. Het is ook de titel van een van mijn favoriete boeken, van Ton van der Kroon. Hij beschrijft vele versies van het universele verhaal dat meestal begint met de constatering dat het land van de koning in verval is geraakt: het land is verandert in een woestijn en er heerst armoede, al dan niet spiritueel of psychologisch. De koning is ziek, afwezig of verbannen. Dan is er de held, die op reis gaat. Door zijn avonturen en daden maakt hij uiteindelijk de weg vrij voor de rechtmatige koning. In elke versie staat er steeds weer één boodschap centraal: de leider keert gelouterd terug en handelt niet langer vanuit het hoofd, maar vanuit het hart.

De koning wordt vaak gezien als belichaming van zijn eigen rijk. Hij staat symbool voor hoe het er in zijn land aan toe gaat. Als hij vanuit zijn hart regeert is er orde en harmonie in zijn rijk. Stelt hij zichzelf niet in dienst van het hogere zelf en zijn land, dan wordt de koning (en zijn land) ziek. De koning heeft als functie om twee werelden bij elkaar te brengen: het wereldlijke (al het zichtbare en materiële op aarde) en het goddelijke (de onzichtbare wereld van de ziel). Om dit goed te kunnen zal hij eerst zelf moeten afdalen in zijn eigen ziel, om de donkere kanten en de wonden in zichzelf te onderzoeken, die van zijn land een dorre woestijn hebben gemaakt. Het vraagt om een herwaardering van het wezenlijke en onzichtbare, terug naar onze wortels diep onder de grond. Ton verwoordt het als volgt: “We leven in een cultuur waarin de mens tot grote hoogte is gestegen, maar zijn eigen wortels niet meer voelt (…), zonder deze wortels drogen we op en raken onze voeding kwijt”.

Een koning zal eerst moeten sterven om opnieuw geboren te worden. Maar de dood en het bijhorende afscheid hebben we diep weggestopt. De dood staat echter niet voor iets engs, een donker einde of een zwart gat dat je krampachtig moet zien te vermijden. De dood is zelfs de enige zekerheid die we in het leven hebben. Achter deze symbolische dood ligt de liefde, het leven in zijn ware gedaante. De koning moet niet opstijgen, maar afdalen om zijn echte kracht te vinden. We zouden de dood juist weer moeten leren omarmen als een plek van transformatie, van vernieuwing, niet alleen van het einde, maar ook van het begin. Door te durven verliezen en te rouwen openen we de weg voor het nieuwe.

De transformatie die de koning heeft te ondergaan is om oude beelden en houdingen los te laten, bijvoorbeeld de focus op mechanische efficiëntie en krampachtige economische groei, en terug te keren naar zijn hart. Dit is per definitie een individuele reis. Echte verandering komt voort uit een diep verlangen om jezelf te zijn. Niet omdat het van iemand anders moet. ‘Moeten’ gaat immers niet samen met ‘veranderen’.

Goed beschouwd gaat het nu ook niet zozeer om veranderen. Is juist onze veranderwoede niet datgene dat ons veel ellende heeft gebracht? Zouden we deze benadering juist nu niet weer moeten leren loslaten? Gaat het er niet om onszelf opnieuw te verbinden met ons hart, met onze ziel, en zo onszelf weer te bezielen en bezield te raken? We zijn allemaal koningen, en hebben maar één land. Terugkeren naar het hart, naar onze eigen kern, dat is de werkelijke terugkeer van de koning. Dan vieren we pas echt koningsdag.