29. Het onzichtbare

Heb je wel eens een vlieg tegen een raam zien vechten? Het beestje knalt voortdurend tegen een onzichtbare muur, alsof het glas er bij de volgende poging niet meer is. Het negeert de ervaring en gaat puur af op wat het ziet. Niets. Meestal ligt het een paar uur later dood op de vensterbank. Het heeft iets grappigs, aandoenlijks en sneus tegelijk. Gedragen wij ons soms ook als die vlieg? Stoten ook wij onze kop tegen dingen die we niet kunnen zien? Proberen we dan ook niet geforceerd de meest voordehand liggende oplossing vol te houden, zelfs als die niet blijkt te werken?

Neem de huidige situatie: eerst wordt een onzichtbare bedreiging teruggebracht tot statistieken en curves en dan volgen de meest tastbare oplossingen: van handen wassen tot 1,5 meter afstand. Vervolgens gaan we aan de slag met desinfecterende zeep, meetlinten, en richten we onze openbare ruimtes met waarschuwingsborden en gekleurde tape naar deze richtlijnen in. Kortom, is onze oplossing voor iets onzichtbaars om het zichtbaar te willen maken? Is binnenkort het virus niet langer de grootste vijand, maar de mensen die zich niet aan de regels houden? Ik zie vooral vliegen onrustig tegen het raam botsen. We richten ons vol op het zichtbare, maar datgene wat ons daadwerkelijk tegenhoudt, negeren we.

Is het niet uitermate interessant dat de grootste crisissen van deze tijd allemaal onzichtbaar zijn? De coronacrisis, de klimaatcrisis en mogelijk de grootste en meest onzichtbare crisis van allemaal: de angstcrisis. We zijn vooral bang voor datgene dat we níet kunnen zien. En dan projecteren we onze angst op wat we wel (denken te) zien. Kijk maar eens een horrorfilm: we zijn niet bang voor wat we waarnemen, maar juist voor wat we níet (kunnen) zien. Angst is gebaseerd op suggestie. Enerzijds beschermen we onszelf daarmee tegen allerlei gevaren; angst maakt ons namelijk alert op het registeren van een potentiële dreiging. Als we anderzijds het onzichtbare steeds als bedreiging blijven benaderen, vergroot dat juist onze angstcrisis.

Kunnen we leren om onzichtbare krachten ook constructief te benutten? Zoals we dat bijvoorbeeld wel doen met de zwaartekracht. Het onzichtbare bevat namelijk ook onze meest vitale krachtbronnen. We zien ze niet, maar als ze er niet zijn, missen we ze gelijk. De kunstenaar noemt het inspiratie, een topsporter noemt het flow of vorm, in relaties noemen we het liefde, in organisaties noemen we het cultuur of teambuilding. Laten de coronacrisis en de klimaatcrisis ons niet vooral onze onzichtbare verbondenheid zien? De enorme verstrengeling van mensen met elkaar en met natuur? Gaan we dus nu vanuit angst muren optrekken of leren we juist die globale verbondenheid ten volste benutten?

Laten we in ieder geval het onzichtbare weer op waarde schatten. Vandaar dat ik afsluit met een gedicht van Lao Tse, uit de Tao Te Ching:

We verbinden spaken tot een wiel,
Maar het gat in het midden
Laat de wagen rijden.

We vormen van klei een pot,
Maar de leegte binnenin
Houdt alles vast wat we willen.

We timmeren van hout een huis,
Maar de innerlijke ruimte maakt het leefbaar.

We werken met wat is,
Maar wat niet is, gebruiken we.